door Geert van der Kolk
•
25 september 2026
Mijn vriendin Marie nodigde me uit om te gaan eten in La Chapelle, een buurt aan de noordkant van de stad die ligt ingeklemd tussen Gare du Nord en Gare de l’Est. Het is een quartier indien . De begane grond van bijna elk pand is een winkel met heerlijkheden die je in geen enkele Carrefour kunt krijgen, een restaurant, of een tempel. Marie weet er de weg. Ze heeft aan de Sorbonne Hindi en Sanskriet gestudeerd en is vele malen in India geweest. We gingen eerst naar een tempel van Ganesj, de god met het hoofd van een olifant. Hij is de zoon van Shiva, maar die had het te druk met zijn godenwerk om veel aandacht aan zijn gezin te besteden. Toen hij jaren later weer eens zin kreeg in Ganesj’s moeder, herkende zijn zoon hem niet en wilde hem tegenhouden, maar ja, dat kan je met Shiva beter niet proberen. Shiva hakte Ganesj’s hoofd af. Toen hij besefte wat hij had gedaan kreeg hij spijt en zwoer hij dat hij zijn zoon het hoofd zou geven van de eerste de beste die hij tegenkwam. En dat was dus een olifant. In het Hindoestaanse pantheon is Ganesj een van de populairste goden. Hij is minder willekeurig en gewelddadig dan Shiva en minder saai dan Visjnoe. Hij wordt altijd afgebeeld met een glimlach onder zijn slurf en hij zit met zijn gezellige dikke buik tevreden op een lotusbloem, omringd door schalen met lekkernijen. Hij is een welwillende god, die je kan helpen bij het oplossen van problemen in je leven. Aan zo’n god is universeel behoefte. Op de stoep voor het tempeltje in La Chapelle lagen stapels schoenen en binnen was het bomvol. Volgens Marie is dat elke dag zo. Hindoestaanse goden zijn geen symbolen, maar actieve deelnemers aan het menselijk bestaan. Ze léven, bij wijze van spreken, en dat betekent dat ze moeten eten. Elke dag. Toen we Ganesj een offerande hadden gegeven, gingen we zelf eten. De cuisine indienne is even gevarieerd en complex als de Chinese en de Franse. Als je in La Chapelle een eettent binnenloopt moet je voorbereid zijn op een verrassing, maar fout gaan kan het niet, mits je een avontuurlijke eter bent. Marie at met haar rechterhand, zoals dat in India hoort, en vertelde honderduit over haar speciale belangstelling voor de Sadoe’s, een ascetische sekte die ze voor het eerst jaren geleden had leren kennen in de Himalaya, op een pelgrimsroute naar de bron van de Ganges. Halverwege, zo hoog en koud dat er al ijs op de rivier lag, woonden vijftien Sadoe’s in een grot. Echte Sadoe’s zijn serieuze asceten. Ze eten alleen als ze iets aangeboden krijgen van een voorbijkomende pelgrim, en anders eten ze niet. Ze knippen hun haar niet; sommigen hebben een dos die tot de grond reikt en die ze om hun middel moeten binden als ze ergens naartoe willen lopen. Dat doen ze overigens niet vaak. Meestal zitten ze met gekruiste benen voor zich uit te kijken. In hun blootje, want kleren vinden ze een verwerpelijke luxe. Marie had zich verdiept in Indiase spiritualiteit en was aan de Sorbonne geschoold in de etnografische methode die participerende observatie heet. Ze zag hier een buitenkans en trok bij de asceten in. Ze woonde drie maanden met vijftien naakte mannen in een grot en kwam terug naar Parijs met iets zeldzaams, een uniek verhaal. Brief uit Parijs (3) gepubliceerd in Argus in september 2026