(placeholder)

Verschijnt 17 oktober

Uit de catalogus van de uitgever: De jongens is een uitbunduge roman over het avontuur van jong zijn, de ontdekkingen, de hartstocht en de humor. Het is, in de vertellers eigen woorden, een boek met open armen.


“Mijn naam is Jan Mendel, kind van Kennemerland, een rasechte kaninefaat, geboren onderaan de dijk van het Noordzeekanaal, in de schaduw van de Hoogovens, en opgegroeid met de zeewind in mijn kuif en in mijn neus het pure aroma van algen, stookolie en de visafslag.”


“Literaire geloofsbrieven kan u niet laten zien, want die heb ik niet, maar ik ben een nieuwe uitdaging nooit uit de weg gegaan en laten we wel wezen: hoe moeilijk kan het zijn om een boek te schrijven? Bovendien heb ik een uitstekend geheugen, dus het is geen enkel probleem dat de gebeurtenissen in dit verhaal meer dan vijftig jaar geleden hebben plaatsgevonden.”


“Ik had mijn jasje losgeknoopt, wat tegen de regels van dansles was, we hielden elkaar stevig vast en ik slaagde erin om elke keer als ik Lydia bij de quickstep om haar as draaide of bij de cha-cha-cha naar haar toe stapte, haar borsten even met mijn keurige witte overhemd te beroeren. Wie heeft ooit verzonnen dat de puberteit een somber intermezzo tussen jeugd en het échte leven is? Ik was dertien en dolgelukkig.”


“Miriam moest erg lachen om het Apeldoornse eufemisme

'het dóén’.

‘Hoe noemen jullie het hier op het eiland?’ vroeg ik.

‘Wij praten er niet over.’

‘Maar jullie doen het natuurlijk wel. ‘

‘Oh, dacht je?’

‘Hoe oud was je de eerste keer? Hoe vond je het?’

MIriam woelde even door mijn haar. Toen gaf ze me een arm.

‘Zoals ik al zei, Janneman, we praten er niet over.’


“Het was liefde op het eerste gezicht. Daar geloof ik eigenlijk helemaal niet in, maar dit was dus de uitzondering die de regel bevestigde. Het kwam niet doordat Lenie zo ontzettend mooi was. Dat was ze wel, maar als je een beetje actief in het leven staat kom je elke dag wel een mooi meisje tegen.”


“Ik zwoer een heilige eed: ik zou in de zomervakantie met Bart meegaan naar Terschelling, zo stoned worden als een aap en pas terugkomen als ik het in het echt, letterlijk, in levende lijve, van alfa tot omega had gedáán.”


“Volgens Mendels morfologie van de provinciale hartstocht zijn er in de liefde niet alleen vier verschillende fasen (bewondering, het is wederzijds, hoop en apotheose), maar ook vier verschillende soorten: prille liefde, apeliefde, hyena-liefde en wáre liefde.”


“Ageeth vertelde dat ze in Happy Landing woonde en dat was sensationeel nieuws. Het was een internaat voor welgestelde meisjes die, zoals dat toen heette, in moeilijkheden waren geraakt.”


“Ze waren sprookjesachtig mooi, maar ik zal u de details besparen. U heeft vast ook wel eens mooie borsten gezien, live of in de spiegel.”


“Alleen mensen van mijn leeftijd kijken met spijt en weemoed terug. Als je jong bent verwacht je zonder erbij na te denken dat het geluk binnenkort of op z’n minst begin volgende maand zal losbarsten.


Uit de catalogus van de uitgever: Geert van der Kolk woont en werkt al decennia in Amerika. Zijn romans en verhalen spelen zich vaak af in afgelegen, onherbergzame oorden als Groenland, Papoea en Oost-Afrika. In De jongens keert hij terug naar een plek die in menig opzicht nog exotischer is: de Nederlandse provincieplaats waar hij naar school ging.

_________________________________________________