Zeg maar dag Flip



 
Ik ben om allerlei goede en verkeerde redenen naar Florida gekomen, en een van de belangrijkste is mijn dochter Jennifer. Ik noem haar nog steeds kleine Jen, hoewel ze daar een pest hekel aan heeft. Ik heb mij wel eens laten vertellen dat er ooit een tijd is geweest waarin oude mensen, als ze hun deel hadden gedaan en moe en krom waren geworden, liefdevol door hun kinderen in huis werden genomen en van een vreedzame levensavond konden genieten. Ik heb daar nooit op gerekend en als je kleine Jen een keer hebt gezien weet je gelijk waarom.
   Ik ken ouders die een goed en regelmatig contact met hun volwassen kinderen hebben. Ze bellen elkaar op verjaardagen, sturen foto's van de kleinkinderen en komen met Kerstmis of Thanksgiving op bezoek. Daar heb ik ook nooit op gerekend.
Ik had net mijn ronde over de steigers gemaakt en zat in het kantoortje toen Jennifer opbelde.
   'Hi, dad! It's me!' riep ze.
    Normaal zegt een mens in zo'n situatie: 'Hallo! Alles goed?' Ik heb geleerd om te zeggen: 'Waar ben je?'
  'Ik sta op de pont te wachten, in Mayport,' zei ze. 'Ik kom er zo aan.'
   'Leuk,' zei ik. 'Wat een verrassing.'
   'Ja, hè? Ik heb Danny bij me.'
   'Leuk,' zei ik. Danny is mijn kleinzoon. Hij was toen vijf. Ik noem hem altijd Danny-boy, zoals in het bekende lied.
   'Ja, hè?' zei Jennifer. 'Kan je een paar dagen op hem passen?'
   Normaal zegt een mens dan: 'Hoezo? Is er wat?' Ik zeg: 'Nou, ik hoor het allemaal wel als je hier bent.'
   Elke keer als ze komt ziet Jennifer er anders uit. Ik herken haar natuurlijk wel. Ze is per slot van rekening mijn dochter. Maar soms sta ik echt even te kijken. Haar haar was die keer zo blond dat het leek alsof ze het in het bleekwater had gehangen. Ze was duidelijk op de Texas-toer, met cowboy laarzen, een geruite overhemd met de meerderheid van de knoopjes los, en een spijkerbroek die zo nauw was dat het in mijn kruis pijn deed. Niet dat ze ooit in Texas is geweest.Voor zover ik weet tenminste. Met een nieuw stel kleren probeert ze een nieuwe persoonlijkheid aan te trekken. Keer op keer. Al jaren. Al sinds ze dertien is.
   'Dad, moet je luisteren,' zei ze. 'Dit zal je niet geloven: een goede vriend van me, een heel succesvolle zakenman gaat een saloon openen in Savannah. en moet je luisteren: hij heeft mij aangeboden om daar te komen werken, niet zomaar achter de bar, maar als manager. In de bedrijfsleiding. Moet je voorstellen. Manager.'
   Haar gezicht en haar armen waren heel bruin, maar het zag er niet echt zonnig uit. Het leek alsof ze een tijd in een magnetron opgesloten had gezeten. Ze gaf me een tas en een grote teddybeer.
   'Hier zijn de spullen van Danny,' zei ze.
   'Kom je niet even binnen?' vroeg ik.
   'Nee, ik moet gelijk verder. Ik had al in Savannah moeten zijn.'
   Ze tilde Danny van de achterbank van de auto en zette hem voor me neer. Het jongetje zei niets.
   'Die vriend van je,' vroeg ik, 'hoe lang ken je die al?' 
   'Ach dad, wat doet dat er nou toe? Hij zwemt in het geld. Hij heeft een homo club in Key West en ook iets in Mobile . Dit is de kans van mijn leven! Country & Western is weer hartstikke in tegenwoordig, vooral hier in het zuiden. Het zijn trends, snap je. Je moet er op inspelen, als zakenman, en ook als manager. Ik leg het je later allemaal wel uit, maar ik moet nu als de donder maken dat ik in Savannah kom.'
   Ze aaide Danny even door zijn haren.
   'Dag, honey,' zei ze. 'Lief zijn, hoor.'
   En weg was ze.
   'Nou,' zei ik tegen het jongetje. 'Jij wil zeker wel een ijsje.'
   Ik kan nu goed met Danny opschieten, maar in het begin moest ik hem niet. Ik zag telkens die vader voor me. Jennifer was veel sneller over die vader heen dan ik. Danny is een heel stil jongetje. Ik dacht eerst dat hij iets zijn schild voerde, dat hij een gluiperd was, zoals die vader. Nu geloof ik dat hij gewoon niet zo slim is. Wat ze vroeger simpel noemden.
   Toen ik een ijsje voor Danny-boy gevonden had bracht ik hem naar steiger B.
   'We hebben hier een zeekoe in de haven,' zei ik. 'Heb je wel eens een zeekoe gezien?'
   Het jongetje schudde zijn hoofd.
   'Weet je wat een zeekoe is?'
   Ook niet.
   'Het is een heel groot beest,' zei ik, 'maar hij doet niks. Hij heet Flip.'
   'Hoe weet je dat, grampa?'
   Graig zat op het achterdek van zijn woonboot te schilderen. Ik bedoel, niet verven, maar schilderen, een kunstwerk. Hij heeft een opvouwbare ezel die hij soms ook in een klein bootje meeneemt het moeras en het rietland in. Graig doet de raarste dingen. Hij doet van alles, behalve werken.
   'Waar is Flip? Vroeg ik. 'Ik wou hem aan mijn kleinzoon laten zien.'
   'Flip is er niet,' zei Graig.
   Danny-boy begon onmiddellijk te huilen.
   'Hij komt wel weer terug,' zeiden Graig en ik snel. 'Flip komt altijd terug.' 
   's Middags moest ik naar Claiborne, naar de bank en de ijzerwinkel. Ik vroeg aan Graig of hij een uurtje op Danny-boy wilde letten, maar Graig kon niet. Hij was helaas elders geëngageerd, zei hij.
   'Wat moet ik met Danny in het dorp?' zei ik. 'Dat is toch niets voor een klein kind.'
   'Neem hem mee naar het museum,' zei Graig.
   'Een museum? In Claiborne?' 
   'Jazeker, en een heel leuk museum ook. Erg geschikt voor kinderen.'
   Ik had in Claiborne nog nooit een museum gezien, maar dat zegt niet veel. Ik ben in Miami geweest en in Washington en in Londen en daar heb ik ook geen museum gezien.
   Het is twintig minuten rijden naar het dorp. Het is een mooie weg; een mooie rit, bedoel ik. Ik ben er van gaan houden, hoewel dat tegen mijn gewoonte is. Er is niet veel te zien, eigenlijk alleen maar ruimte. Er staan geen huizen en het land is zo vlak als een pannekoek. Grote stukken zijn te drassig voor hoge bomen. Er groeien alleen mangroven en riet en bamboe. Hier en daar staan dode cypressen, met hun voeten in het water en gieren op hun kale takken. Ik zie er vaak alligators, maar toen ik met Danny-boy naar het dorp reed niet. Ik had hem gelukkig ook niets beloofd. Ik haal niet twee keer achter elkaar dezelfde stommiteit uit. Dat probeer ik althans. Als het me altijd was gelukt had mijn leven er anders uitgezien.
   'Grampa?' zei Danny-boy toen we het dorp in reden. 
   Ik wachtte. Hij keek me van opzij aan, maar zei verder niets.
   'Ja, jongen,' zei ik. 'Zeg het maar.'
   Danny fronste zijn wenkbrauwen. Kinderen van vijf kunnen dat. Ik zette me schrap. Nu komt er iets over zijn moeder, dacht ik. Nu gaat hij vragen wanneer ze terugkomt.
   'Mag ik nog een ijsje?' zei Danny.
   Het museum bestaat echt, maar je zou er zo voorbij rijden. Het is aan Magnolia Avenue, in een oud huis dat er even zorgelijk uitziet als alle andere huizen aan Magnolia Avenue Het bordje in de voortuin is zo klein, verkleurd en slecht te lezen dat het lijkt alsof ze liever liever geen bezoek krijgen. In de hal, aan een ouderwetse lessenaar, zat een heel klein en heel vriendelijk dametje dat ons welkom heette en zei dat het museum geen entree hief Na afloop van ons bezoek konden we wel een vrijwillige bijdrage leveren.
   'Waar beginnen we?' vroeg ik en ik keek om me heen en de trap op.
   'Het museum is op de begane grond,' zei het dametje enze gaf me een foldertje. 'De rest van het huis is nog steeds in gebruik door de nazaten van het geslacht O'Brien.'
   Ze deed alsof we in de grand foyer van een plantage uit Gone with the Wind stonden in plaats van de vestibule van een oud houten huis vol achterstallig onderhoud. Het museum begint heel gewoon: met een etalagepop die een uniform uit de Burgeroorlog draagt, een grijs uniform natuurlijk, van een zuiderling en erelid van het geslacht O'Brien. Daarnaast hangt ­ er bestaat geen etalagepop voor ­ de donkerblauwe, laag uitgesneden avondjurk van de dikste dame ter wereld. Aan het velours is met een veiligheidsspeld een in een dof geworden plastic map verpakt kranteartikel uit 1910 bevestigd, waaruit blijkt dat de dikste dame niet alleen echt heeft bestaan, maar ook in Claiborne is geweest en hier die jurk moet hebben uitgetrokken.    Verderop, na een verroeste verzameling houwdegens en hellebaarden en een verzameling gerei en gereedschap voor het roken van Tallahassee worsten, staat een grote metalen kast met weckflessen. Volle weckflessen. Er zitten geen pruimen of abrikozen in, maar inktvissen, hele kikkers, een nest ongeboren muizen waar Danny-boy gefascineerd bij bleef staan, een ongeboren varkentje met twee koppen, diverse slangen, een zeven meter lange lintworm, het hart van een grizzly beer, de baarmoeder van een ezelin, en een hersentumor. Zoiets herken je niet onmiddellijk, en de met de hand geschreven kaartjes onder de weckflessen zijn oud en verbleekt. Maar het is echt een tumor, zo groot als een tennisbal, en hij komt uit het hoofd van een mens. En er zijn er nog meer. De hele onderste helft van de kast is gewijd aan tumoren. Ze komen overal vandaan, uit een strottehoofd, een ruggemerg en een endeldarm, uit levers en testikels en uit longen, zoals bij Jen, hoewel ze bij Jen niet meer de moeite hebben gedaan om hem eruit te snijden.
   Ingemaakte tumoren hebben dezelfde bleke grijsbruine kleur als ingemaakte muisjes en inktvissen. Tegen Danny-boy zei ik dat het paddestoelen uit vreemde landen waren.
   In de tweede kamer van het museum, een soort serre, is de grootste kunstschat van Claiborne tentoongesteld. Het is een verzameling knopen. 40.000 knopen, volgens de brochure. De oudste en zeldzaamste zijn bewaard in met pastorales en veldslagen beschilderde doosjes, maar met de andere is wat gedaan: ze zijn op doeken gerangschikt en vastgenaaid in de vorm van Amerikaanse, Engelse, Franse en allerlei andere vlaggen, vele van koninkrijken die al lang niet meer bestaan; in de vorm van een landkaart van Noord Amerika (staatkundig en natuurkundig); als portret van Washington en Jefferson en diverse andere nationale helden, en van ene Web Younce, die volgens het nogal geheimzinnige onderschrift meer voor de gemeente Claiborne heeft betekent dan velen beseffen; en als copieën van de Mona Lisa, de Nachtwacht en Het vlot van de Medusa. Allemaal van knopen. De pronkstukken van de verzameling zijn volgens de brochure gemaakt door Miss Eudora O'Brien, die tot haar dood in 1947 heeft doorgenaaid.
   Danny-boy liep de hele middag als een klein hondje met mij mee. Hij vroeg niets over Jennifer. Hij lachte die dag maar een keer. We reden terug naaar huis en het laatste stuk van de weg naar Hope River is niet verhard. We reden met twee grote bonken door een kuil die ik niet had gezien. Ik vloekte en gebruikte een paar grote mensen woorden. Danny-boy schaterde het uit, heel even, en toen was hij weer stil. 's Avonds ging hij gedwee naar bed, maar hij kon niet slapen. Hij huilde niet. Toen ik later op de avond bij hem ging kijken lag hij stil op zijn rug, met zijn ogen wijd open. Ik ging op de rand van zijn bed zitten.
   'Moet je luisteren, Danny-boy,' zei ik. 'Je moeder houdt van je. Dat weet ik zeker.'
   Hij keek me verbaasd aan.
   'Ga nou maar lekker slapen,' zei ik. 'Morgen gaan we weer wat leuks doen.'
   'Grampa?' zei hij. 'Kunnen muisjes zwemmen?'
   'Jazeker.'
   'Hele kleine muisjes ook?'
   'Ja, hoor.'
   'Dus als die hele kleine muisjes willen kunnen ze uit die pot zwemmen?'
   'Die muisjes in het museum?'
   'Ja. Kunnen ze eruit klimmen?'
   Ik knikte. Ik lieg niet graag hardop.
   'Maar Grampa,' zei Danny-boy wanhopig en nu begon hij te huilen. 'Er zit een deksel op die pot.'
   'Dat deksel doen ze er alleen op als er bezoekers zijn,' zei ik snel. ''s Avonds halen ze het eraf.'
   Ik bleef bij hem tot hij in slaap viel en liet de deur van zijn kamertje open. Ik was bang dat hij nachtmerries zou krijgen over dat stomme museum, maar hij sliep de hele nacht door. Ik bleef nog een hele tijd op het trapje bij de voordeur zitten. Het was doodstil in de haven. Ik hoorde alleen de krekels en de wind in het riet. Ik dacht aan kleine Jen en vroeg me af wat ze in Savannah aan het doen was en bedacht toen dat het waarschijnlijk beter was om me dat niet voor te stellen en toen vroeg ik me voor de zoveelste keer af wat we verkeerd hebben gedaan met kleine Jen en voor de zovelste keer kwam ik er niet uit en ik hoorde de stemmen van kleine Jen en grote Jen die altijd ruzie met elkaar hadden en ik dacht dat het misschien daar aan lag omdat ze hun ruzies nog lang niet hadden bijgelegd toen grote Jen dood ging en toen dacht ik voor de zoveelste keer dat het geen zin heeft om over die dingen na te denken en ik wou dat ik kon ophouden met denken. Ik wou dat ik moe was en kon gaan slapen. Ik haalde mijn fles bourbon uit het kantoortje en probeerde mezelf moe te drinken, maar het lukte niet. Dus ik bleef op het trapje zitten en toen hoorde ik ineens geritsel en gekras bij de vuilnisbakken. Het zal gewoon een muskusrat zijn geweest, maar ik schrok. Misschien kwam het door het maanlicht. Ik dacht even dat ik een ontsnapte tumor zag, een bleke tumor met muizenpootjes en een dikke kale staart.
Jennifer liet een week lang niets van zich horen. Er kwam zelfs geen kaartje uit Savannah. Toen kwam ze ineens terug. Ik zag gelijk dat het met die saloon niets was geworden. Ze droeg nog wel haar cowboy-kostuum, maar de glans was er af. Ze gaf natuurlijk iemand anders de schuld. Dat doet ze altijd. Deze keer lag het aan de corrupte ambtenaren van de gemeente Savannah die een of andere vergunning hadden geweigerd. 
   'Je kan daar niet normaal zaken doen,' zei ze. 'Als je niet bij de incrowd hoort of links en rechts smeergeld rondstrooit, kom je nergens.'
   'En die vriend van je?'
   'Hij heeft beloofd dat hij zou bellen als er nieuwe ontwikkelingen zijn. Voorlopig ga ik maar terug naar Cocoa Beach.'
   We keken elkaar aan.
   'Geen preken, alsjeblieft,' zei Jennifer. 'Waar is Danny?'
   'Op steiger B, denk ik. Daar zit hij al de hele week.'
   We liepen samen naar het water.
   'Hoe lang blijf je?' vroeg ik.
   'Ik ga gelijk door. Ik hoop dat Kent nog geen nieuwe huurder heeft gevonden.'
   'Kent?'
   'Een vriend van mij, en hij is ook mijn huisbaas. Ik had tegen hem gezegd dat ik naar Savannah ging. Ik vond het zonde van het geld om dat appartement nog langer aan te houden.'
   'Maar ­'
   'Geen preken, alsjeblieft.'
   Danny-boy zat op de rand van de steiger. Hij sprong niet op toen hij zijn moeder zag, maar wees naar het water.
   'Daar is Flip,' zei hij.
   'Jezus, wat is dat?' zei Jennifer.
   'Een zeekoe,' zei ik.
   'Ik heb nog nooit een zeekoe gezien,' zei Jennifer. 'Wat een gevaarte.'
   'Hij doet niks,' zei Danny.
   Flip dreef naast de steiger en kauwde op het palinggras.
   'Kom op, honey,' zei Jennifer. 'We moeten gaan.'
   Danny keek haar aan.
   'Zeg maar dag Flip,' zei Jennifer.
   'Dag Flip,' zei Danny-boy.


 
Het verhaal op deze pagina verscheen oorspronkelijk in nummer 8/9, 2002, van Hollands Maandblad
 
 




http://www.hollandsmaandblad.nl/shapeimage_2_link_0