De smokkelaar van de Exuma’s
 
 
 
 
De havenmeester is een grote zwarte man. Hij is zo dik dat hij nauwelijks achter zijn bureau of in zijn uniform past. Elke keer als hij ademhaalt, met een korte zucht, lijkt het alsof de knoopjes van zijn overhemd zullen springen.
     'Als ik het allemaal goed begrijp,' zegt hij, 'bent u uit Florida gekomen omdat u op zoek bent naar een vriend van u, ene Frank Blackwell?'
     'Dat klopt.'
     'En u denkt dat deze Blackwell zich in Bimini bevindt?'
     'Nee,' zegt Gramm, 'maar ik vermoed dat hij hier is geweest. Hij was met zijn boot op weg naar Santo Domingo en zou voor het stormseizoen terugzijn.'
     'En?'
     'Hij is niet teruggekomen.'
     'Met andere woorden, deze vriend van u, deze Blackwell is vermist.'
     'Inderdaad.'
     'Ik ben havenmeester, kapitein. De eventuele vermissing van uw vriend lijkt mij een kwestie voor de gerechtelijke autoriteiten.'
     'Natuurlijk,' zegt Gramm snel. 'Ik heb contact opgenomen met de kustwacht en met onze consul in New Providence en de consul heeft de autoriteiten om informatie verzocht.'
     'En?'
     'Men heeft een dossier geopend.'
     'Natuurlijk.'
     'De consul zegt dat hij verder niets kan doen, tenzij er iets konkreets gevonden wordt.'
     'Een wrak.'
     'Zoiets.'
     'Dus toen bent u zelf maar op zoek gegaan.'
     'Ja, daar komt het in het kort op neer.'
     'Ik wens u veel succes. Ik ben bang dat ik u niet kan helpen.'
     'Bimini is de eerste en de meest logische aanloophaven als je met een boot uit Florida komt. Ik hoopte dat u zich misschien kunt herinneren dat u hem heeft ingeklaard.'
     'En wanneer zou dat geweest moeten zijn?'
     'Ongeveer een jaar geleden.'
     'Een heel jaar geleden? Zover gaat mijn herinnering niet terug.'
     'Dat begrijp ik,' zegt Gramm en hij legt twintig dollar op het bureau.
     De havenmeester pakt een ordner en legt die over het geld heen.
     'Hoe heet de boot van deze Blackwell?'
     'De
Galant Lady,' zegt Gramm. 'Het is een houten motorschip, een omgebouwde trawler, eigenlijk.'
     'Bemanning?'
     'Alleen Blackwell en een Cubaanse machinist. Het is maar een klein schip.'
     De havenmeester leest zuchtend in zijn ordner.
     'Het spijt me, kapitein,' zei hij even later. 'De G
alant Lady is niet in Bimini geweest.'
     Hij kijkt Gramm aan.
     'Mag ik nu uw papieren zien?'
     Gramm overhandigt zijn paspoort, de douaneverklaring en de scheepsdocumentatie van de Amerikaanse kustwacht.
     'Waar is uw
crewlist?' vraagt de havenmeester.
     'Ik heb geen bemanning,' zegt Gramm.
     'U zeilt alleen? Hoe groot is uw boot?'
     'Zes ton.'
     'Zes ton? En daar bent u de Golfstroom mee over gekomen?'
     De havenmeester bladert door Gramms paspoort. Dan tilt hij de andere formulieren even op.
     'Het spijt me bijzonder, kapitein,' zegt hij, 'maar ik kan u niet inklaren.'
     'Waarom niet?' vraagt Gramm verbaasd.
     'Uw papieren zijn niet in orde,' zegt de havenmeester.
     Hij schuift alles weg over zijn bureau.
     'Ontbreekt er iets?' vraagt Gramm.
     De havenmeester knikt. Gramm vouwt een biljet van twintig dollar in zijn paspoort en schuift de papieren terug.
Het kantoor van de havenmeester is een klein gebouwtje met gepleisterde muren die van onder tot boven roze zijn geschilderd. Op de kade is het stil. Er liggen maar twee schepen. Het grootste is een mailboot met een groene romp en een kanariegele stuurhut. Het dek staat vol met roestige fietsen die als takkenbossen zijn samengebonden. Daarachter ligt Gramms boot. Het is een oude zeilboot met een houten kajuit en onderin een kleine dieselmotor. Op de boeg staat Mola mola.
     Vanaf de kade kijkt Gramm uit over een onafzienbare vlakte van ondiep, lichtblauw water. Van de steile golven en de schuimkoppen van de Golfstroom is hier, aan de oostkant van het eiland, niets meer te zien en de zee is even stil als de lucht. Het water is zo helder dat het lijkt alsof je door dik glas kijkt. De bodem is van wit zand en bezaaid met grote helderrode zeesterren.
     Een watervliegtuig met zilverkleurige vleugels ligt in de baai voor anker. Twee wrakken van houten visserboten steken nog net boven het water uit. Op de wal staan een aantal lege en vervallen huizen, sommige zonder dak, en de ruine van een klein hotel met zwarte gaten in plaats van ramen en een neergestort balkon. Op het strand, tussen hoge casuarina-bomen, ligt een dode hond.
     Een pad van gebroken schelpen leidt langs de kust naar het dorp. Het ziet er uit alsof er kort geleden een orkaan heeft gewoed. Er liggen omgewaaide palmbomen tussen de huizen, stukken golfplaat en asfalpapier zijn van de daken gerukt, deuren, luiken en goten zijn losgetrokken en verzakt en overal ligt puin en afval. Er scharrelen honden en kippen rond, en kleine kinderen die zich uit de voeten maken zodra ze Gramm zien. Alle huizen lijken leeg. Een winkeltje is met een ketting is afgesloten. Gramm komt langs een bar in een lage houten schuur. De bar heeft geen deur. Een man in een donker pak houdt met zijn ene hand een stuk triplex omhoog voor de ingang en probeert het met zijn andere hand vast te spijkeren.
     'Wou je wat drinken, cop'm?' vraagt hij.
     'Het lijkt wel of je gaat sluiten,' zegt Gramm.
     'Als jij een oogje op de zaak houdt blijven we open.'
     'Waar is iedereen?'
     'Naar de optocht,' zegt de man. 'Ik moet ook naar de optocht. Als de bliksem.'
     Hij laat het stuk triplex vallen en wijst naar binnen.
     'Help jezelf, cop'm,' zegt hij. 'Er is bier en er is ook whisky, maar ik heb geen ijs. Kom je uit Florida?'
     'Ja,' zegt Gramm.
     De man knikt.
     'Dat dacht ik al. We krijgen hier wel vaker mensen uit Florida. Tot straks.'
     Hij holt weg en laat Gramm bij de ingang staan. De bar heeft niet alleen geen deur, maar ook geen vloer en maar drie muren. Op de grond ligt hetzelfde gruis als buiten op de weg. De achterkant is volledig open en geeft uitzicht op water van de baai.
     Gramm schuift een koelvak onder de bar open en pakt een fles bier. Dan hoort hij plotseling zachte fanfare-muziek. Hij kijkt naar buiten en ziet een groep zwarte muzikanten die door het dorp naderbij komen. Ze lopen heel langzaam, zonder hun knieën te buigen, en spelen een treurmars. Ze schuifelen door het gruis op de weg en voorop gaat een man met een vaandel.
BUBAS staat er op, en in kleine gouden letters Bimini United Burial and Assistance Society. Achter de muziek lopen acht vrouwen in lange witte jurken met een paarse sjerp. Dan komen de doodgravers, acht mannen met hoge hoeden en zwarte pandjesjassen. Ze lopen in twee rijen van vier, dicht bij elkaar, maar dragen geen kist. Ze dragen niets. Ze worden op een afstand gevolgd door de overige bewoners van het dorp die allen bloemen van stro, zijde of gekleurd plastic dragen. De eigenaar van de bar loopt achteraan. Hij kijkt net zo ernstig als de anderen, maar zwaait even naar Gramm.
     De optocht trekt voorbij. Gramm kan de treurmars nog een tijdlang horen. Het is erg stil op het eiland. Er is geen wind of branding aan de oostkant. Drie pelikanen vliegen laag en in formatie over het water. Ze vliegen voortdurend heen en weer en maken geen enkel geluid. Gramm pakt nog een fles bier. Dan komt de eigenaar van de bar terug. Hij is buiten adem. Hij trekt zijn jasje uit, zet snel een lange rij glazen klaar op de bar en begint tafeltjes schoon te vegen.
     'Merkwaardige optocht,' zegt Gramm.
     'Het is een traditie op het eiland, cop'm,' zegt de eigenaar van de bar. 'We gaan in deze tijd van het jaar altijd een keer met z'n allen naar de begraafplaats.'
     'Waarom?'
     'Op bezoek.'
     'Bij de doden?'
     'Ja, anders zouden ze eenzaam worden.'
     Hij gaat achter de bar staan, met een theedoek over zijn schouder en zijn handen in zijn zij. Dan komen de doodgravers en de muzikanten binnen. De doodgravers hebben hun hoge hoeden als lastige kinderen onder hun arm. Ze kijken verbaasd naar Gramm.
     'De cop'm hier komt uit Florida,' zegt de eigenaar terwijl hij de glazen volschenkt.
     De doodgravers knikken.
     'Is dat jouw zeilboot, aan de kade?' vraagt een van hen.
     'Ja,' zegt Gramm.
     'Aardige boot. Hoe lang is ze?'
     'Ruim acht meter.'
     'Ben je daar de Golfstroom mee overgekomen?'
     Gramm knikt. De doodgravers heffen het glas. Ze kijken nog steeds heel ernstig.
     'Nou,' zeggen ze. 'Welkom in Bimini. Hoe lang blijf je hier?'
     'Ik vaar morgenochtend door naar het oosten.'
     'Nou,' zeggen de doodgravers. 'Welkom en vaarwel, dan. Waar is je bemanning?'
     'Ik zeil alleen.'
     'Heb je geen bemanning?'
     'Nee. Ik zeil altijd alleen.'
     De doodgravers schudden hun hoofd.
     'Je kan niet zonder bemanning naar het oosten varen, mon,' zegt een van hen. 'Je moet altijd iemand op de boeg hebben. Zonder een uitkijk kan je de Grote Bahama Bank niet oversteken. Je loopt gegarandeerd op het rif. Heb je het wrak van de
Carnation niet zien liggen toen je binnenkwam? En het wrak van de Pieternella? En de Sea Wolf op North Beach? Mon, we hebben hier meer wrakken dan graven op het kerkhof.'
     De andere doodgravers vallen hem bij.
     'De
Sapona, bij Cat Island. De Lilly-Ann bij Great Isaac Light. En een oude schoener, de Surprise, achter Pigeon Cay. En de Pride of Baltimore.'
     'Het is niet gering, mon.'
     'Alleen een dwaas vaart zonder bemanning over de Grote Bahama Bank, mon. Zelfs de vissers die hier op het eiland wonen, die hier al meer dan hun hele leven rondvaren, hebben altijd een jongen aan boord. '
     'De
Lucky Jim, uit Jacksonville. En de Liberté, een tramp uit Haiti.'
     'Het is niet gering, mon, zoveel wrakken als we hier hebben.'
     'Meer wrakken dan graven, mon.'
     De doodgravers zwijgen en kijken Gramm ernstig aan.
     'Ligt hier ergens ook het wrak van een trawler die
Galant Lady heet?' vraagt Gramm.
     De doodgravers schudden hun hoofd.
     'Die naam zegt ons niets.'

Het is stil op de kade en de zon gaat onder. Het kantoortje van de havenmeester is gesloten en er brandt geen licht in de stuurhut van de mailboot. Het is zo stil dat Gramm het opkomende getij langs de kade kan horen ruisen. De baai en de lucht erboven zijn heel helder en glad en egaal paars. Hij gaat aan boord van zijn boot en in de kajuit steekt hij een kleine olielamp aan. De lamp hangt aan een beugel die de vorm heeft van een opspringende dolfijn. Het licht is zacht en geel en schijnt op het houten schot tussen de kajuit en het vooronder, op de stuurboordkooi en op de vloerplanken. Gramm gaat aan de tafel zitten, spreidt de waterkaart van de Bahama's uit en pakt de zeemansgids.
Schepen die de Grote Bahama Bank willen oversteken moeten gebruik maken van het zeegat tussen Conch Cay en Comfort Cay. Een koers van 110° als de noordpunt van Conch Cay dwarsaan is, is noodzakelijk om de zandbanken die het zeegat afschermen te vermijden. Voorzichtigheid is geboden, daar de wind en de krachtige getijdenstroming de zandbanken regelmatig van vorm en plaats doen veranderen. Voor de kust van Comfort Cay ligt een zwart rif dat door de plaatselijke vissers Oom Hendrik wordt genoemd. Er zijn geen tonnen of bakens die een vaargeul markeeren. Er zijn maar weinig boeien en vuurtorens in de Bahamas en ze zijn allemaal onbetrouwbaar. Zeevaarders moeten -
Gramm gaat in zijn kooi liggen en luistert naar het water van de vloed dat zachtjes langs de romp van de boot stroomt. Als hij in slaap valt droomt hij over een enorme hond. In de droom loopt hij over een strand. Aan de ene kant is de zee, aan de andere kant een kaal, bergachtig landschap. De hond springt plotseling achter een rots uit en komt naar hem toe. Gramm probeert hem af te schrikken. Hij schreeuwt en zwaait met zijn armen. Dan probeert hij weg te rennen, maar al zijn spieren zijn stijf geworden en zijn benen lijken loodzwaar. Hij komt nauwelijks vooruit. Als de hond hem bijna heeft ingehaald breekt de droom af en een andere droom begint, hoewel hij niet onmiddellijk beseft dat het een droom is. Hij ligt in zijn kooi. Zijn vrouw, die hij al jaren niet meer heeft gezien en wiens gezicht hij is vergeten, komt de kajuit binnen. Gramm wil opstaan, maar hij kan zich niet bewegen. Zijn vrouw zegt niets. Ze buigt over hem heen en legt een gouden munt, of een medaille op zijn tong.
's Morgens vroeg, als het tij is gekeerd en Gramm zijn landvasten bijstelt, komt een zwarte jongen de kade op.
     'Dag, cop'm,' zegt hij. 'Meneer Berry heeft mij verteld dat u bemanning zoekt.'
     'Wie is meneer Berry?'
     'Meneer Berry woont in North Point, cop'm, maar hij heeft een vriend die op de kade werkt en hij is de broer van Margaret, de vrouw van mijn oom tot ze bij hem wegging omdat hij altijd drinkt, en hij zei dat u bemanning zoekt. Meneer Berry zei dat.'
     'Meneer Berry vergist zich. En jij bent nog te klein om op een boot te werken. Jij hoort op school te zitten en je ABC te leren.'
     'Ik ben sterk voor mijn leeftijd, cop'm. En ik was
first mate van cop'm Edmond. Ik heb altijd met cop'm Edmond gevaren, sir. Tot zijn boot gestolen werd. Sir.'
     'Is cop'm Edmond een visser?'
     'Yes sir. We visten op conch en langoest, hier in de baai en bij Cat Island.'
     'Ik ben niet gekomen om te vissen,' zegt Gramm. 'Ik ga de Grote Bahama Bank over.'
     'Dat maakt niet uit, cop'm.'
     'Vindt je moeder dat ook?'
     'Mijn moeder woont in Freeport, sir. Ik woon bij mijn oom en het kan mijn oom niet schelen wat ik doe omdat Margaret bij hem weggegaan is. Sir.'
     Gramm kijkt de jongen aan.
     'Ik zou je kunnen gebruiken als uitkijk,' zegt hij, 'maar alleen voor de oversteek. Verder niet.
     'Dat geeft niet, cop'm. Ik kan altijd met de mailboot terug. De vriend van meneer Berry kent de cop'm van de mailboot en hij is de broer van Margaret die bij mijn oom woonde tot ze wegging.'
     De jongen draagt een vuil hemd en een korte broek. Hij heeft geen schoenen aan.
     'Hoe heet je?' vraagt Gramm.
     'Rolle. Cop'm.'
     'Waar is je tas?'
     'Ik heb geen tas, cop'm. Sorry.'
     'Dan kan je meteen beginnen. Weet je waar het telegraafkantoor is?'
     'Ja, cop'm, natuurlijk.'
     Gramm gaat aan de tafel in de kajuit zitten en schrijft op de achterkant van een envelop.
     'Dit moet onmiddellijk verstuurd worden,' zegt hij.
     Hij geeft de jongen geld en de tekst van het telegram:
REDERIJ MACHADO FORT LAUDERDALE FLORIDA
BIMINI GEEN SPOOR GALANT LADY STOP GA DOOR NAAR EXUMA'S STOP GRAMM