'Olé!' zei de man uit Quito
 
 
(Een verhaal uit mijn eerste boek De nieuwe stad. Het verscheen orrspronkelijk in het tijdschrift Maatstaf in 1983. De foto is een jaar daarvoor gemaakt, in San Salvador.)
Teresa was na de Fiesta van de heilige Salvador in de stad blijven hangen, meer zomaar dan met opzet, en na een week was haar geld op.
     'Ik blijf liever hier,' zei ze. 'Thuis in Gotera is toch geen werk, en het is er zo saai door de oorlog.'
     Ze zat op de rand van Antonieta's bed.
     'Blijf dan,' zei Antonieta vanuit de douche. Ze waste haar voeten in de wasbak. 'Hoe laat is het? Is het al zo laat? Het water is op.'
     'Ik heb geen geld,' zei Teresa. 'Don Berto vroeg gisteren wanneer ik zou betalen, omdat hij ook rekeningen heeft.'
     Antonieta kwam uit de douche, in een vuilwit nachthemd. 'Ik wou dat het meer regende, dan hadden we meer water.'
     'Je kan ook eerder opstaan,' zei Teresa, die haar kleren al had gewassen in de granieten bak achter het hotel. Nu was het te heet, nu kon je beter rustig aan doen.
     Antonieta zette haar stoel op de galerij, in de schaduw van de tweede verdieping. Ze was al over de dertig, en klein, maar niet dik. Ze heeft toch twee kinderen, dacht Teresa. Die waren allebei in Californië.
     'Berto is heel precies,' zei Antonieta lachend. 'En jij bent te jong voor hem.'
     'Ik heb honger,' zei Teresa. 'Jij ook? En wil je ook sigaretten?'
Teresa liep de trap af naar de hal. Don Berto was er al. Hij zat achter de balie en las de krant.
     'Goedemorgen, Don Berto,' zei Teresa.
     'Is Antonieta al op?' vroeg Don Berto.
     'O ja,' zei Teresa terwijl ze naar buiten liep.
     Don Berto legde zijn bril op de krant en zijn handen plat op de balie. Hij leunde voorover en duwde zich van zijn stoel. Hij was zwaar en zuchtte. Hij hees zijn broek over zijn buik en klom naar boven.
     'Hallo,' zei Antonieta.
     Ze liep haar kamer in en trok haar nachthemd op tot haar middel en ging voorover op haar bed liggen. Don Berto deed de deur achter zich dicht en Antonieta dacht aan haar kinderen in Californië en dat ze honger had en ze hoopte dat Teresa niet te lang weg zou blijven.
Teresa wachtte op de bank in de hal. Ze had een zak met warme pupusas op haar schoot. Een man met korte beentjes stond aan de balie en las Don Berto's krant. Teresa wist wie hij was: een zakenman uit Quito, maar veel kon het niet voorstellen, anders woonde hij niet in het hotel. De man keek over zijn schouder en grijnsde en trok met zijn rechteroog. Teresa keek naar buiten.
     'Je vriendin is aardiger,' zei de man.
     Don Berto kwam de trap af en zuchtte. Hij knikte naar de man uit Quito. Teresa pakte een fles water uit de ijskast en ging met de pupusas in haar andere hand de trap op. Antonieta zat op haar stoel op de galerij.
     'Is die man uit Quito bij je geweest?' vroeg Teresa.
     'O ja,' zei Antonieta lachend. 'Hij gaat voor zaken naar Mexico, zegt hij, maar hij moet hier eerst op zijn vrouw wachten. Want ze gaan samen. Hij is niet kwaad. Als je twintig colón wilt verdienen - hij wil elke dag, net als Berto.'
     Na de pupusas en een sigaret werd het ook op de galerij te heet. Teresa ging naar beneden voor nieuw water. Don Berto lag op de bank te slapen. De man uit Quito was verdwenen. Teresa haalde nog een sigaret bij Antonieta en ging naar haar eigen kamer. M'n was, dacht ze en liep terug en ze haalde haar kleren van de lijn over de parkeerplaats achter het hotel. De zon brandde op haar hoofd en haar schouders. Ze kwam hijgend en klam van de hitte boven. Ze trok haar shirt en jeans uit en draaide de kraan van de wasbak open, maar er was geen water. Ze ging op haar bed liggen en zweette.
Vroeg in de avond werd er geklopt. Teresa stond op, liep naar de wasbak - geen water - en kleedde zich aan.
     'Heb je geen honger?' vroeg de man uit Quito.
     'Ja,' zei Teresa.
     Er was niemand in de hal. Don Berto was al naar huis, maar de nachtportier, Santiago, was er nog niet. Op straat was het nog steeds heet, hoewel de zon al achter de bergen was.
     'Ik hoop dat we wat regen krijgen vannacht,' zei de man.
     'In augustus regent het elke nacht,' zei Teresa.
     In de pupusería was het benauwd. De man uit Quito bestelde dubbele porties met kaas en bonen, en bier.
     'Waar kom je vandaan?' vroeg hij.
     'Uit het oosten, Gotera,' zei Teresa.
     'Maar daar is de oorlog. Ben je daarom hier?'
     'De oorlog stelt niets voor,' zei Teresa. 'Het leger zijn lafaards die te bang zijn om de stad uit te gaan.'
     'En jij bent niet bang?'
     'Voor de
muchachos? Dat zijn mijn vrienden.'
     'En Antonieta is je vriendin.'
     'Ja, natuurlijk,' zei Teresa verbaasd.
     'Weet je dat Antonieta Don Berto bij zich laat komen om niet voor haar kamer te betalen?'
     'Nou en?' zei Teresa. 'Ze doen wat voor elkaar.'
     Zodra ze buiten stonden begon het te regenen en terug in het hotel waren ze drijfnat. Santiago zat achter de balie en grijnsde naar de man uit Quito. Teresa liep naar boven voor droge kleren, maar de man kwam achter haar aan. Hij bleef in de deuropening staan en keek naar haar borsten.
     'En wil jij wat voor mij doen?' vroeg hij
     'Wat bedoel je?' zei Teresa en ze draaide zich om.
     De man kwam de kamer in, een hand diep in zijn broekzak en de andere legde hij op Teresa's heup.
     'Wil je niet twintig colón verdienen?' vroeg hij.
     'Nee, bedankt. Ik heb geld,' zei Teresa en ze stapte opzij.
     De man uit Quito schudde zijn hoofd en liep de kamer uit. Teresa draaide de deur op slot, trok haar natte kleren uit en waste zich, want er was nu water door de regen.
De man uit Quito liep terug naar de hal.
     'Wat is er aan de hand?' vroeg Santiago.
     'Ja, wat is er aan de hand,' zei de man. 'Die uit Gotera is toch een
putita, of niet?'
     'Maar natuurlijk, man,' zei Santiago. 'Het zijn allemaal
putitas hier.'
     Santiago was dronken. Hij was al dronken, elke avond, als hij van Don Berto overnam. Hij woonde in de hal en sliep op de bank. 'S nachts moest je zeker vijf keer bellen voor hij opendeed, maar hij was nooit boos. Dat lukte hem niet meer. Santiago had een broer die in East Brunswick, New Jersey woonde. Dat is praktisch in New York City, had de broer geschreven. Hij had ook geschreven dat hij in een garage werkte en zelf een auto had, en een vrouw, en dat hij gelukkig was. Dat had Santiago hem nooit vergeven.
     De man uit Quito pakte een fles water uit de ijskast en ging naar zijn kamer. Santiago wachtte vijf minuten, deed de voordeur op slot en liep naar boven en klopte bij Teresa.
     'Ik ben 't, Santiago,' zei hij.
     Teresa schoot in haar kleren, die nog nat waren.
     'Wat is er?' vroeg ze.
     Santiago grijnsde en ging op de rand van haar bed zitten. Teresa bleef in de deuropening staan.
     'Don Berto maakt problemen,' zei hij, 'omdat je je kamer nog niet betaald hebt.'
     'Maar ik krijg geld, volgende week,' zei Teresa. 'En bovendien, er zijn zat kamers vrij.'
     'Don Berto zegt dat hij een zakenman is.'
     'Ik kan ook werken,' zei Teresa. 'Wassen, en schoonmaken.'
     Santiago zweeg en keek naar haar borsten en haar buik. Teresa rilde, van de natte kleren en de tocht door de open deur.
     'Ik zal met Don Berto praten,' zei Santiago, 'maar alleen als je mijn vriendin bent.'
     Hij stond op, lichtte zijn linker hiel van de vloer en schudde zijn kloten in zijn hand.
Teresa stond vroeg op, om Don Berto voor te zijn. Ze ging eerst naar de centrale bananen markt voor ontbijt, en daarna naar de overkant van de rivier, waar de vluchtelingen woonden in huizen van golfplaat, karton en oud hout. De meesten waren vrouwen die pupusas bakten op houtskool vuurtjes terwijl hun kinderen voetbalden in het stof. Teresa liet zich trakteren op frijoles en Coca-Cola, door een muchacho die ook uit het oosten kwam maar vast en zeker volgende week of de week daarop naar Californië vertrok. Pas toen het weer donker was, maar nog voor het begon te regenen, liep ze terug naar het hotel.
De man uit Quito stond midden in de hal, met zijn rug naar de straat en zijn gezicht naar Santiago achter de balie. Hij stond iets door zijn knieën gezakt en hield zijn handen alsof hij stond te pissen, maar hij bewoog. Hij schudde zijn heupen naar voren en terug.
     'Antonieta, man, die is goed,' zei hij. 'Vooral van achteren.'
     Santiago lachte en de man uit Quito grijnsde en Teresa liep door de hal naar de trap.
     Boven hoefde ze niet lang op Santiago te wachten.
     'Don Berto zegt dat je moet betalen,' zei hij. 'Schoonmaken hebben we niet nodig.'
     Hij bleef in de deuropening staan. Teresa stond ook op.
     'O,' zei ze.
     'Maar ik weet wel wat anders,' zei Santiago.
     'Wat dan?' vroeg Teresa.
     'Kan ik niet zeggen. Je moet me vertrouwen.'
     'Dat is goed,' zei Teresa.
     'En mijn vriendin zijn,' zei Santiago.
     Hij stapte van de drempel naar Teresa. Teresa draaide zich om en keek naar de muur. Santiago drukte met zijn onderbuik tegen haar billen en met zijn handen tegen haar buik.
     'Niet nu,' zei Teresa. 'Morgen.'
'Maar laat hem toch, wat kan jou 't schelen?' zei Antonieta 's morgens.
     Ze zat op de trap, tussen de benen van Teresa. Teresa zat een tree hoger en pikte de luizen uit Antonieta's haar.
     'Hij is vies,' zei Teresa. 'Hij stinkt.'
     Antonieta lachte.
     'Dan draai je je om,' zei ze, 'dan zie je hem niet en dan ruik je hem niet.'
Die avond pakte Santiago van onder de balie het schrift waarin Don Berto boek hield. Achter het nummer van Teresa's kamer schreef hij: 'betaald.' Hij had al veel gedronken in zijn leven, Santiago, en erg slim was hij niet. Don Berto was heel precies, een echte zakenman. Hij spaarde de kartonnetjes van het w.c. papier en van elke nieuwe rol maakte hij drie kleintjes. Daar was hij 's ochtends druk mee, tussen Antonieta en siesta. Maar Don Berto woonde niet in het hotel; hij kwam pas 's morgens terug. Santiago sloot af en klom naar Teresa.
     Haar deur was op slot.
     'Ik voel me niet goed,' zei ze. 'En ik ben ook moe.'
     Santiago liep terug naar de hal en pakte de loper die naast het schrift van Don Berto lag. Maar Teresa was wel slim. Ze had haar sleutel aan de binnenkant in de deur gelaten en een kwartslag gedraaid.
     'Als je me niet binnenlaat zeg ik tegen Don Berto at je geen geld hebt en ook niets krijgt en dan gaat hij naar de politie,' zei Santiago.
     Teresa antwoordde niet en besloot morgen maar naar Gotera terug te gaan.
Santiago vloekte wel, maar hij was geen doorzetter. Bovendien werd er gebeld. Voor de deur stonden drie korte, bonkige mannen. Ze hadden alle drie een snor en een grote polstas die ze tegen hun zij geklemd hielden. 'Policía nacional,' zeiden ze, maar dat wist santiago zo ook wel. Ze kwamen wel vaker, vanwege de oorlog. Ze waren op jacht naar subversieven en in hun polstassen zaten revolvers. Een bleef in de hal en ging op jacht in Don Berto's schrift; de andere twee gingen naar boven. Antonieta's papieren waren in orde, want Don Berto was erg precies, maar de man uit Quito en Teresa moesten mee naar beneden.
     'Ik ben op weg naar Mexico,' zei de man uit Quito, 'voor zaken, maar ik moet op mijn vrouw wachten en ik het een permiso van het directoraat voor migratie.'
     'En jij?' vroeg een van de politiemannen aan Teresa. 'Waar kom jij vandaan?'
     'Uit het oosten, Gotera,' zei Teresa.
     'Vluchteling?'
     Teresa aarzelde en keek toen Santiago recht aan.
     'Ze komt hier werken,' zei Santiago. 'schoonmaken, en wassen.'
     'Waar is je permiso dan?'
     'Die heeft Don Berto, de eigenaar van het hotel,' zei Teresa. 'Ik zal hem morgen vragen.'
     De politiemannen twijfelden. Teresa was nog jong, en aantrekkelijk, maar je wist nooit van tevoren hoe die subversieven eruit zagen. Dat maakte de oorlog zo ingewikkeld. Uiteindelijk besloten ze om maar ergens anders op jacht te gaan. Santiago deed de voordeur op slot.
     'Zo,' zei hij en hij klemde zijn tong om zijn bovenlip.   
     Teresa draaide zich om en liep naar de trap, maar de man uit Quito zat wijdbeens midden op de derde tree en telde met zijn vuist zijn kloten.
     'Eerlijk is eerlijk,' zei hij en hij grijnsde.
     Santiago knoopte en ritste en trok haar jeans naar beneden en hij pakte met twee handen haar knie en lichtte een voet uit de pijp en duwde haar naar de bank en ze struikelde bijna over de broek om haar enkel en ze ging op de bank zitten maar Santiago duwde haar achterover en ze was niet bang, het was haar wel eerder overkomen, thuis in Gotera, maar ze had er een hekel aan en Santiago stonk zo en haar linkerbeen zat klem tegen de rugleuning en Santiago vloekte want zijn linkerbeen gleed van de bank op de stenen vloer en Teresa zei: 'Wacht even,' en duwde hem van zich af en draaide zich op haar buik en een kwartslag en liet haar knieën op de vloer zakken, die koud was, en Santiago neukte haar als een hond.
     'Olé!' zei de man uit Quito.