A, zoals mijn vader
 
 
 
 
 
Nu lig ik in mijn kooi en luister naar de walvissen. Ze fluiten en piepen en neuriën en ik probeer ze te tellen, maar de geluiden komen overal tegelijk vandaan. Ik kan geen afzonderlijke walvissen onderscheiden, geen conversatie of een couplet met refrein. Ik kan niet eens met zekerheid zeggen of ze voor of achter het schip mee zwemmen, of aan mijn of de andere kant. Ze zijn al een hele tijd bij ons en ik lig wakker en luister en dan zijn ze ineens weg, alsof ze bij een kruispunt linksaf gaan en wij rechtdoor. Ik hoor alleen het geruis van het water langs de scheepswand en het gemompel van de dieselmotor, maar ik kan nog steeds niet slapen.
     We zijn gisteren uit Sisimiut vertrokken. We zijn er maar heel even geweest, om twee nieuwe jongens aan boord te nemen. De ene is half Deens. Ze hebben allebei gejat. De half-Deen rookt geen pot, maar hij drinkt.
     Mijn vader komt uit Sisimiut, dus ik had graag even in het dorp willen kijken, maar we mochten natuurlijk niet van het schip af. De grote maatschappelijk werker stond voortdurend aan dek. Als ik met mijn vader op jacht was vertelde hij vaak over Sisimiut en over het jaar dat het ijs de haven blokkeerde. Ik heb maar weinig ijs gezien. We kwamen een paar grote ijsbergen tegen toen we langs de kust voeren en in de fjord bij Sisimiut is er een aan de grond gelopen, vlak bij de olietanks.
     'Denk erom dat je ze in hun buik schiet.,' zei mijn vader altijd. Ze blijven alleen aan de oppervlakte als ze nog leven.'
     De zeehonden moesten blijven drijven tot we onze boot langszij hadden en er een gaf of een harpoen in konden steken. Ik ben vorig jaar met jagen opgehouden. Ik ging vroeger altijd graag, maar ik had ineens geen zin meer.
     'Jij bent geen echte Groenlander,' zei mijn vader.
     Er zijn acht jongens aan boord, met die twee uit Sisimiut meegerekend. Ze hebben allemaal gejat of gedeald of allebei. Ik ook. Iedereen jat. Mijn vader zit in de bijstand. Dat is ook jatten, alleen mag het.
     De meeste jongens komen uit Nuuk. Sommigen ken ik nog van school, anderen van het Internet Café. Henry Jensen is ook aan boord. Vorig jaar had ik verkering met zijn zus, maar we kregen ruzie en ze beweerde dat ik haar sloeg. Dat deed ik ook, maar nooit hard en iedereen slaat.Mijn vader, die slaat hard. Vroeger tenminste.
     Toen mijn vader nog in Sisimiut woonde had hij honden. Het beste team in heel West-Groenland, beweerde hij. Ik heb een heleboel honden gezien toen we de haven binnenliepen. Ze lagen op rotsen en achter huizen vastgeketend en keften en huilden voortdurend. In Nuuk heeft niemand honden. De mensen hebben sneeuwscooters, maar wij niet, natuurlijk.
     Dit schip is een oude roestbak, een omgebouwde trawler of zoiets. De schipper is een Deen. Toen we aan boord kwamen zei hij dat we vast en zeker hele goede vrienden zouden worden als we precies deden wat hij zei. En hij zei dat hij normaal geologen en archeologen aan boord had, gediplomeerde wetenschappelijke onderzoekers uit Europa en de VS, en dat het eten en de accomodatie voor deze gediplomeerde wetenschappelijke onderzoekers altijd volkomen adekwaat was gebleken, dus dat hij van snotneuzen zoals wij geen commentaar wilde. Dus gelijk de eerste avond weigerde Henry Jensen om te eten.
     'Ben je zeeziek of zoiets?' vroeg de grote maatschappelijk werker.
     'Ik heb geen honger,' zei Henry Jensen.
    'Je krijgt de rest van de avond niets anders meer,' zei de maarschappelijk werker. 'We hebben geen buffet of automaten aan boord.'
     'Ik heb gewoon geen honger,' zei Henry Jensen.
     De volgende morgen at hij ook niets en de maatschappelijk werker zei: 'Je kan niet zonder eten, Jensen. Het is een eenvoudige optelsom. Je hebt drie á vier duizend calorieën nodig om warm te blijven en je werk te kunnen doen.'
     We zitten niet voor onze lol op deze boot. We moeten werken omdat met een groep op een schip werken een positieve ervaring is die ons karakter zal verbeteren.
     Henry Jensen heeft vanavond weer niet gegeten.
     'Krijg je geen honger, man?' vroegen wij toen we aan het afwassen waren.
     'Ik wil niet eten,' zei Henry Jensen.
     'Wat is er met je, man?' zei de half-Deen uit Sisimiut. 'Heb je anorexia of zoiets? Dat is voor meisjes, man.'
     De half-Deen heet Oskar Knjeldsen. Hij is nog maar net aan boord en doet gelijk of hij de baas is. Hij zegt dat hij een vrouw verkracht heeft, maar dat is opschepperij. Als het echt waar was hadden ze hem naar het tuchthuis in Qaqortoq gestuurd.
     We hadden prachtig weer gisteren. De zon scheen de hele dag en ging maar heel even onder, toen wij al in onze kooien lagen, en nu is het al weer licht en ik kan nog steeds niet slapen. Ik ben een keer opgestaan. Ik wilde naar het dek om naar de zee en de bergen aan de kust te kijken, maar de grote maatschappelijk werker hield mij tegen en zei dat het nog veel te vroeg was en als ik echt niet kon slapen had hij wel een pilletje voor me.
Henry Jensen is ziek. Hij bleef vanmorgen in zijn kooi liggen.
     'Je moet wat eten, Jensen,' zei de grote maatschappelijk werker.
     'Ik heb geen honger,' zei Henry Jensen. 'Laat me met rust.'
     De andere maatschappelijk werker, die eigenlijk de baas is, is een vrouw. We hebben heel snel geleerd dat we bij haar uit de buurt moeten blijven. Ze wil voortdurend praten. Ze ging natuurlijk meteen naar Henry Jensen toen hij niet op wilde staan en ze praatte en praatte en toen kwam ze naar ons toe. We waren op het dek aan het schuren en het menien, want het was nog steeds mooi weer, en ze vroeg: 'Waarom is Henry in hongerstaking?'
     'Dat weet hij zelf niet,' zei de half-Deen.
     'Ik vroeg het niet alleen aan jou,' zei de maatschappelijk werkster. Ze keek ons een voor een aan, maar wij zeiden niets.
     'Begrip,' zei de maatschappelijk werkster, 'kan alleen ontstaan door communicatie. Je moet beginnen om met elkaar te praten.'
     'Een walvis!' riep een van de jongens.
     We renden allemaal naar de reling, maar we zagen niets.
     'Ik zag hem echt,' zei de jongen. 'Ik zag hem spuiten.'
     'Jij hebt vanavond w.c.-corvee,' zei de maatschappelijk werkster.
     'Shit,' zei de jongen.
     'Precies,' zei de maatschappelijk werkster. 'Dat soort stunts kon je op school uithalen, maar nu is het er te laat voor.'
     Ik keek langs haar hoofd naar de zee en zag de rug van een walvis boven water komen, en een pluim waterdamp en toen zijn staart, maar ik zei niets.
     Vanavond had ik dekwacht, van acht tot tien. Ik moest zogenaamd uitkijken voor andere schepen en ijsbergen, terwijl de schipper of de stuurman ook altijd op de brug is en bovendien hebben ze een radar. Elke nacht een paar uur aan dek staan is deel van mijn straf, maar ik vind het helemaal niet erg. Ik vond het ook nooit erg om bij een luchtgat in het ijs te staan, als we aan het jagen waren. Het kon me niet eens schelen of er nou een zeehond boven kwam of niet.
     Ik heb weer slaappillen gekregen van de grote maatschappelijk werker, maar ik heb ze niet doorgeslikt. Ik heb er nu zes.
Ze hebben tegen Henry Jensen gezegd dat hij kan kiezen: eten, of in Aasiaat door de politie van boord gehaald worden en regelrecht naar het tuchthuis in Qaqortoq. Nu eet hij weer, maar hij stond vanmiddag met mij in het washok en zei: 'Ik kots het er allemaal weer uit.'
     'Dat kan je niet,' zei ik, maar hij stak zijn vinger in zijn keel en stond te kotsen tot hij bijna stikte. En vanavond weigerde een andere jongen te eten. Hij komt uit Paamiut en heet Christian.
     We zijn binnendoor naar Aasiaat gevaren en hebben zeehonden en walvissen gezien en ook, in de verte in het open water van Disko Bay, hele grote ijsbergen. Zo groot als ik nog noot eerder heb gezien en ook een heleboel tegelijk. Bij ons komen ze altijd een voor een. We mochten in Aasiaat niet van boord. We legden alleen even aan om olie en water te tanken. De maatschappelijk werkster kwam naar mij toe en zei dat ze wilde praten, of eigenlijk, zei ze, wil ik vooral naar je luisteren. Goed praten is in de eerste plaats luisteren, zei ze. Waar wilt u over praten? vroeg ik en ze zei: wat je maar wilt, dus ik haalde mijn schouders op en zij zei: over het eten, misschien? Dus ik zei dat ik het eten prima vond.
     We zijn nu zo ver naar het noorden dat het bijna niet meer donker wordt. Tijdens mijn dekwacht dook de zon heel even onder de rand van de zee, maar kwam gelijk weer terug. We zijn nu midden in Disko Bay en overal om ons heen stikt het van de ijsbergen. Weer twee slaappillen versierd.
Ze hebben Christian, de jongen uit Paamiut, ook gedwongen om weer te gaan eten, maar hij kan niet kotsen. Hij heeft het geprobeerd en Henry Jensen heeft laten zien hoe het moet, maar het lukte niet.
     'Het slaat ook nergens op, wat jullie doen,' zei de half-Deen, Oskar Knjeldsen.
     'Vroeg ik jou wat?' zei Henry Jensen.
     'Bij ons in Sisimiut,' zei de half-Deen, maar Henry Jensen draaide zich om en liep weg. De half-Deen keek mij aan en wilde gaan vertellen wat zij in Sisimiut deden, maar ik zei: 'Lik m'n reet,' en ik liep ook weg.
     We voeren steeds verder naar het noorden in Disko Bay. Er waren overal ijsbergen en rondom de ijsbergen zoveel kleinere brokken ijs dat we heel langzaam moesten varen en soms met bootshaken het ijs moesten wegduwen.
     Henry Jensen heeft zich gesneden. Hij heeft een mes gejat uit de kombuis en in allebei zijn armen gesneden. We kunnen niet naar Ilulissat, vanwege het ijs, anders hadden ze hem gelijk van boord gestuurd. Nu ligt hij in de bovenkooi in de kajuit van de grote maatschappelijk werker.
     De half-Deen vroeg wat er gebeurd was.
     'Weet je niet wat snijden is?' zei ik. 'Liggen jullie zo ver achter in Sisimiut?'
     Hij keek me aan en ik sloeg hem gelijk in zijn gezicht. Het was pure zelfverdediging. Ik kon aan hem zien dat hij mij eerst wilde slaan. We konden niet verder gaan, want de maatschappelijk werkster kwam binnen en daarna had ik dekwacht en toen ik terugkwam in het vooronder lag de half-Deen al te slapen. Ik kan nog steeds niet slapen. Er zijn vannacht geen walvissen bij het schip. Pillenstand: acht.
Mijn vader, de grote eskimo-jager die dieren het liefst in hun buik schiet en elke maand eerst zijn bijstand opdrinkt en daarna zijn huursubsidie, vertelt graag oude verhalen. Zoon, zegt hij dan en hij praat langzaam alsof hij een wijze man is, dit zijn niet zomaar verhalen. Het zijn onze tradities. Zonder tradities zouden wij als volk verdwijnen. Er waren eens vier jagers die vastzaten op Ellesmere Eiland. Het pakijs was dat jaar eerder opgebroken dan normaal en ze konden iet meer terug naar Kaap York, waar ze woonden. Ze aten eerst hun honden op en lootten er toen om wie van hen zich zou moeten opofferen. De jager die gekozen werd aanvaardde zijn lot, maar geen van de andere drie wilde hem doodschieten. Dus dat moest hij ook zelf doen, en dankzij hem overleefden de anderen het en keerden veilig terug naar hun vrouwen en kinderen. Dit verhaal mag je niet vergeten, zoon, zei mijn vader. Het is deel van onze traditie en zonder traditie enzovoort en later vertelde de zus van Henry Jensen, voor we ruzie kregen, precies hetzelfde verhaal, alleen had ze het gelezen in de Illustrated Classics. Het ging over vier schipbreukelingen in een reddingssloep in de Stille Zuidzee en het was echt gebeurd.
     Ik heb een dekseltje van een conservenblik uit de kombuis meegepikt, uit de vuilnisbak. Het is heel raar weer vandaag. De zon schijnt, maar er is ook mist en we hebben dubbele dekwacht. Je ziet de ijsbergen pas als je vlak bij bent. Soms is het aan de ene kant van het schip heel helder en warm en aan de andere kant zit het potdicht en soms, als de zon door de mist probeert te schijnen, zie je een grote boog, precies zoals een regenboog maar zonder kleuren. Pillenstand: 10.
Ik lig in de hondenkooi achter de kombuis. Ze hebben me uit het vooronder gehaald omdat ik me gesneden heb. Met het deksel van het blikje. Ik heb het wel eens eerder gedaan, thuis in Nuuk, maar thuis, als je alleen bent, is het makkelijker. Je hebt tijd om het bloed en alles weer op te ruimen. Na het avondeten kondigde de maatschappelijk werkster een nieuw wachtrooster aan en ze zei dat we doorgingen naar het noorden, ondanks het ijs. We laten ons niet uit het veld slaan, zei ze. We zijn vastbesloten om ons doel te bereiken. Later liet ik Henry Jensen mijn pillen zien.
     'Denk je dat het genoeg is?' zei ik.
     'Dat durf je toch niet,' zei hij.
     Er zijn geen walvissen vannacht.Ik hoor alleen het geruis van het water langs de scheepswand en het gemompel van de dieselmotor. Ik heb het donkere gordijntje voor de patrijspoort weggetrokken. De zon ligt pal op de horizon en rolt met ons mee. Ik leg de slaappillen op een rij op mijn kussen. Een heel net rijtje. Het zijn er genoeg om mijn naam mee te schrijven, mijn voorletter, tenminste, A, zoals mijn vader, of M, zoals de zus van Henry Jensen, of S, van shit, of P, van perfect.
 
 
Het verhaal op deze pagina verscheen oorspronkelijk in nummer 1, 2003, van Hollands Maandblad
De afbeelding is van de kwelgeest Tupilak, die rondzwerft op het pakijs en onheil brengt aan iedereen die hem tegenkomt.
(Houten beeldje uit Groenland, begin 20ste eeuw. Deens Nationaal Museum, Kopenhagen)